Ziektebeelden
- CVA
- (Traumatisch) niet aangeboren hersenletsel (NAH)
- Dwarslaesie
- Hartaandoening
- Chronische longziekte
- Multiple sclerose
- Reuma
- Amputatie
- Spierziekten
- Pijn
Bron: IS REVALIDATIE AAN SEKS TOE?, © 2005 Rutgers Nisso Groep
CVA
Een cerebro vasculair accident, ofwel een beroerte, is de vierde doodsoorzaak in Nederland, en de belangrijkste oorzaak voor invaliditeit. Elk jaar krijgen ca. 30.000 mensen in Nederland een beroerte, daarvan overlijden er 12.500 gedurende het eerste jaar. Driekwart van de mensen die een CVA krijgen, is ouder dan 65 jaar. Bij een beroerte ontstaat een beschadiging van het hersenweefsel door afsluiting van een bloedvat (85%) of door een bloeding (15%). Afhankelijk van de plaats van de beschadiging treden verschillende vormen van functieverlies (verlammingen, problemen met spraak, cognitieve problemen, blindheid) op. In veel gevallen veranderen ook persoonlijkheidskenmerken en worden mensen emotioneel labieler of juist vlakker (factsheet VRIN).
Ondanks het veelvuldig voorkomen van CVA is er weinig onderzoek gedaan naar de gevolgen hiervan voor het seksuele functioneren. Kimura, Murata, Shimoda en Robinson (2001) onderzochten seksuele problemen bij 100 Amerikaanse CVA-patiënten (75 mannen en 25 vrouwen). Bij 21% van de mannen en 28% van de vrouwen was er vóór de beroerte sprake van ontevredenheid met het eigen seksuele functioneren, terwijl dit ná de beroerte bij 59% van de mannen en 44% van de vrouwen het geval was. Verminderd seksueel verlangen kwam in deze studie vooral bij mannen voor (11% vóór de beroerte, 27% ná de beroerte). Korpelainen, Kauhanen, Kemola, Malinen en Myllylä (1998) onderzochten het seksuele functioneren van 38 mannelijke en 13 vrouwelijke CVA-patiënten en 40 partners op twee momenten, namelijk twee en zes maanden na hun eerste beroerte. Na zes maanden was bij 51% van de patiënten het seksueel verlangen (libido) verminderd of geheel afwezig, hetzelfde gold voor 43% van de partners. Van de mannelijke patiënten had 51% na zes maanden erectieproblemen, terwijl 6% helemaal geen erectie meer had. Van de vrouwelijke patiënten had 50% zes maanden na het CVA last van (sterk) verminderde lubricatie, terwijl bij 10% de lubricatie helemaal gestopt was. Zowel bij patiënten als bij hun partners was de seksuele satisfactie betekenisvol afgenomen na het CVA.
In andere onderzoeken worden bij vrouwelijke CVA-patiënten soms wel en soms niet problemen met het seksueel verlangen gevonden. Verminderd seksueel verlangen als gevolg van de CVA lijkt vaker bij oudere vrouwelijke patiënten voor te komen dan bij jongere (Monga & Kerrigan, 1997). In het literatuuroverzicht van Monga en Kerrigan wordt gemeld dat 54% - 64% van de mannelijke CVA-patiënten na de CVA erectieproblemen had, terwijl dit bij 6 - 25% van de mannen voordien het geval was. Lubricatieproblemen bij vrouwen komen bij ca. 71% van de vrouwen ná de CVA voor, terwijl dit bij 37% voorheen het geval was. Hierbij ging het echter om onderzoek bij voornamelijk oudere CVA-patiënten.
Ook problemen met het orgasme blijken veelvuldig voor te komen na een beroerte. Een voortijdige zaadlozing kwam in een studie van Monga, Lawson en Inglis (1986) bij 35% van de mannen ná de beroerte voor, terwijl vóór de beroerte 22% hiervan last had. In dezelfde studie had 77% van de vrouwen ná de beroerte problemen met het krijgen van een orgasme. Niet vermeld wordt bij hoeveel vrouwen dit vóór de beroerte het geval was.
Seksuele problemen na een CVA worden vermoedelijk zelden uitsluitend door de beschadigingen als gevolg van de beroerte veroorzaakt. Vaak was er voorheen al sprake van seksuele disfuncties, hetzij als gevolg van het ouder worden, hetzij als gevolg van aandoeningen die (mede) oorzaak zijn geweest voor de beroerte, zoals diabetes, hoge bloeddruk en andere ziekten van de bloedsomloop, en alcoholisme.
Veelal werden er zowel vóór als ná de beroerte medicijnen gebruikt die van invloed zijn op het seksueel functioneren, zoals medicijnen tegen hoge bloeddruk, antidepressiva en tranquillizers. Na de beroerte spelen naast medische oorzaken ook allerlei psychosociale gevolgen een rol bij het ontstaan van seksuele disfuncties. Monga en Kerrigan (1997) noemen in hun literatuuroverzicht de volgende: angst om opnieuw een beroerte te krijgen, angst voor afwijzing door de partner, faalangst, stemmingsstoornissen (depressie komt bij 20 - 50% van de CV A-patiënten voor), verminderd zelfbewustzijn, communicatieproblemen, relatieproblemen en cognitieve beperkingen. Kimura et al. (2001) vinden dat seksuele problemen bij mannelijke CVA-patiënten het sterkst samenhangen met de aanwezigheid van een depressie.
De plaats van de beroerte lijkt evenwel van invloed te zijn. Beschadigingen aan de dominante hersenhelft (meestal de linker) hangen samen met meer seksuele problemen (Kimura et al., 2001; Korpelainen et al., 1998), volgens de laatste auteurs vanwege het feit dat bij beschadigingen aan de dominante hersenhelft de verbale vermogens, het zelfbeeld en de stemming van de patiënt negatief worden beïnvloed, en deze factoren een belangrijke rol spelen bij seksuele activiteit. Een rechtstreekse samenhang met depressiviteit werd door hen niet gevonden. Wel bleken patiënten met tactiele stoornissen meer seksuele problemen te hebben dan patiënten zonder stoornissen in het gevoel.
De fysieke functiebeperkingen (gevoelloosheid van lichaamsdelen, spasticiteit, contracturen, afasie) als gevolg van de beroerte belemmeren eveneens het seksueel functioneren (Korpelainen et al., 1998; Monga & Kerrigan, 1997). Het is echter onduidelijk of de seksuele problemen vooral door fysieke functiebeperkingen of door psychologische aanpassingsproblemen veroorzaakt worden.
Breng mij naar boven(Traumatisch) niet aangeboren hersenletsel (NAH)
Onder niet aangeboren hersenletsel vallen al die beschadigingen van het hersenweefsel, die op enig moment na de geboorte zijn ontstaan en die niet samenhangen met zwangerschap en bevalling. Strikt genomen valt ook het hierboven beschreven CVA onder de NAH’s, maar deze is vanwege de grote omvang van die groep en de specifieke kenmerken (leeftijd, co- morbiditeit) afzonderlijk besproken. Bij niet aangeboren hersenletsel wordt een onderscheid gemaakt in traumatisch letsel en niet-traumatisch letsel. Niet traumatisch hersenletsel wordt veroorzaakt door een proces dat zich in het lichaam afspeelt, zoals bijvoorbeeld een hersenbloeding, een infectie, tumoren, vergiftiging, zuurstofgebrek of degeneratie van hersenweefsel bij dementie.
Traumatisch letsel is het gevolg van een oorzaak van buitenaf: een ongeval, een val, schotwond en dergelijke. De plaats en ernst van het letsel kan zeer uiteenlopend zijn, waarbij in sommige gevallen coma optreedt. Afhankelijk van de plaats van de beschadiging in de hersenen kunnen er neurologische uitvalsverschijnselen, cognitieve veranderingen en psychische veranderingen in verschillende combinaties optreden.
Veranderingen op het gebied van de seksualiteit zijn na traumatisch hersenletsel eerder regel dan uitzondering. Bij patiënten met een traumatisch hersenletsel gaat het bovendien in meerderheid om jonge mensen (veelal mannen) waarbij de ontwikkeling van de eigen seksualiteit en een seksueel zelfbeeld een zeer actueel thema is. De veranderingen op het gebied van de seksualiteit worden bepaald door de impact van het trauma, de sociale en psychologische gevolgen daarvan, en door de sociale en seksuele vaardigheden en ervaringen voorafgaand aan het trauma (Limbert, 1992).
De impact van een hersentrauma strekt veelal verder dan alleen lichamelijke functiebeperkingen. Vaak is er ook sprake van veranderingen in de persoonlijkheid en gedragsstoornissen, zoals verminderd inzicht in eigen handelen, geheugenproblemen, prikkelbaarheid en toegenomen egocentrisme. Het spreekt voor zich dat dergelijke veranderingen een grote druk kunnen leggen op een bestaande relatie, of het aanknopen van een nieuwe relatie bemoeilijken.
Uit onderzoeksliteratuur blijkt dat mannelijke patiënten kort na het trauma nauwelijks seksuele problemen melden. Aloni et al. (1999) onderzochten 44 mannen die na een traumatisch hersenletsel in klinische revalidatie waren opgenomen (gemiddeld 6 weken na het trauma). Van hen had 14% last van seksuele problemen, 7% van de patiënten met een partner en 22% van de patiënten zonder een partner. Het vaakst genoemd werden: verminderd seksueel verlangen en erectiestoornissen. Gevraagd werd ook naar zelfvertrouwen, de mate waarin men zichzelf seksueel aantrekkelijk vindt en de stemming. Geen van de respondenten had minder zelfvertrouwen dan voor het trauma, 47% had zelfs meer zelfvertrouwen. De eigen seksuele aantrekkelijkheid schatte 32% lager in dan voor het trauma, terwijl 55% geen veranderingen ervoer. Een op de vijf respondenten gaf aan zich gedeprimeerd te voelen, bij 55% was de stemming minder dan in het verleden, bij 43% was er geen verandering door het trauma. In deze studie zijn ook partners bevraagd, maar helaas konden deze data niet worden meegenomen vanwege een te lage respons. Andere studies laten namelijk zien dat de persoonlijkheidsveranderingen als gevolg van het trauma van invloed kunnen zijn op het seksueel functioneren van de partner. Starheid, egocentrisme en ontremd gedrag in het openbaar, en verminderde zelfbeheersing bij de patiënt kunnen het verlangen naar (seksuele) intimiteit bij de partner doen afnemen (Limbert, 1992).
Sandel, Williams, Dellapietra en Derogatis (1996) onderzochten 39 mannen en 13 vrouwen bij wie het hersenletsel gemiddeld 3,7 jaar geleden was ontstaan. Naarmate het trauma korter geleden was, hadden de respondenten minder seksuele disfuncties. Hiervoor zijn twee verklaringen mogelijk: ofwel er is vaker sprake van hyperseksualiteit bij patiënten in de acute fase van het trauma, ofwel wordt het seksueel functioneren negatief beïnvloed naarmate er meer inzicht komt in de eigen beperkingen door het trauma. Mensen met hersenletsel in de rechter hersenhelft of de frontaalkwabben hebben minder last van seksuele disfuncties dan mensen met letsel aan de linker hersenhelft. De verklaring van de auteurs hiervoor is dat letsel in de frontaalkwab en de rechterhersenhelft vaker tot storingen in de perceptie en derhalve tot een te positieve weergave van het eigen seksuele functioneren leiden. Anderzijds is het volgens deze auteurs ook mogelijk dat letsel in de linker hersenhelft meer impact heeft op de seksualiteit omdat bij dit type letsel vaker sprake is van een depressie.
Duidelijk wordt evenwel dat bij mensen met een traumatisch hersenletsel vooral sprake is van belemmeringen door een veranderd psychologisch functioneren en er mogelijk bij partners meer problemen hierdoor ontstaan dan patiënten zich realiseren.
Breng mij naar bovenDwarslaesie
Een dwarslaesie is een beschadiging van het ruggenmerg, waardoor de zenuwen die daar lopen geen signalen meer door kunnen geven van en naar de hersenen. Vanaf de plaats van de laesie in het ruggenmerg naar beneden is er geen gevoel meer in het lichaam, geen controle meer over de spieren, en (afhankelijk van de plaats van de laesie) geen controle meer over blaas en rectum, met incontinentie tot gevolg. Een laesie kan compleet zijn, waarbij alle zenuwen zijn doorgesneden, of incompleet, waarbij een deel van de zenuwen nog intact is, en een deel van de functies intact blijft. Afhankelijk van de plaats van het letsel spreekt men van een tetraplegie (verlamming van zowel armen als benen) of van een paraplegie (verlamming van het onderlichaam en de benen).
Jaarlijks komen er in Nederland enkele honderden mensen met een dwarslaesie bij. In tweederde van de gevallen is een dwarslaesie veroorzaakt door een trauma, waarbij het voornamelijk om jonge mannen gaat (70%). In 57% van deze traumatische dwarslaesies gaat het om een tetraplegie en bij de helft van de traumatische laesies is de dwarslaesie compleet. In de andere gevallen zijn de laesies door ziekte of een tumor ontstaan en veel minder vaak (13%) zijn deze laesies compleet (Weijmar Schultz, Incrocci, Weijenborg, Van de Wiel & Gianotten, 2004).
Het onderzoek naar de invloed van een dwarslaesie op de seksualiteit beperkt zich veelal tot de vraag in hoeverre mannen nog in staat zijn tot het krijgen van een erectie. In feite is veel van wat er bekend is over de betrokkenheid van de verschillende zenuwen bij de seksuele respons te danken aan onderzoek bij mensen met een dwarslaesie. Veel minder onderzoek is er gedaan naar de beleving van de seksualiteit na een dwarslaesie en de seksuele problemen van vrouwen met ruggenmergletsel.
De meerderheid van alle mannen (78% - 95%, verschillende studies) met een dwarslaesie blijft ook nadien geïnteresseerd in seks. In Amerikaans onderzoek (Alexander, Sipski & Findley, 1993) onder 38 mannelijke dwarslaesiepatiënten bleek 67% één jaar na de dwarslaesie weer seksueel actief te zijn. De frequentie van de seksuele activiteit was echter verminderd, waarbij er een sterke terugloop was in het aantal keren dat men geslachtsgemeenschap had. Terwijl geslachtgemeenschap voor 99% van de respondenten vóór de dwarslaesie de meest favoriete seksuele activiteit was, gold dit nadien nog slechts voor 16%, terwijl 61% na de dwarslaesie wel geslachtsgemeenschap had gehad. De waardering voor orale seks en knuffelen nam sterk toe na de dwarslaesie. Het al dan niet seksueel actief worden bleek met name samen te hangen met het seksuele verlangen van de partner, en niet met het verlangen van de patiënt. Het begrip ‘seksuele activiteit’ werd echter subjectief door de patiënt ingevuld. Opvallend was ook dat 38% van de respondenten aangaf in seksuele activiteiten met medisch personeel betrokken te zijn geweest. Terwijl 97% van de respondenten voor de dwarslaesie een hoog of normaal seksueel verlangen had, was dit na het trauma nog maar bij 78% het geval. Ondanks het vrij hoge aantal mensen dat seksueel actief was gebleven, bleek de seksuele satisfactie sterk teruggelopen te zijn. Terwijl voor de dwarslaesie slechts 2% ontevreden of zeer ontevreden was, bleek dit na de dwarslaesie bij 41% het geval te zijn. De seksuele satisfactie na de dwarslaesie bleek uitsluitend samen te hangen met de waardering van geslachtsgemeenschap als favoriete seksuele activiteit, zowel voor de patiënt als de partner. Het vermogen opgewonden te raken blijft na een dwarslaesie veelal intact, al kan de seksuele opwinding, veroorzaakt door streling en stimuleren van de erogene zones op het lichaam veranderen, doordat de plaats van de erogene zones verandert. Over het algemeen zijn de gebieden net boven de plaats van de dwarslaesie sterk prikkelbaar. Toch blijft ook de genitale prikkeling bij veel dwarslaesies mogelijk: bij 59% van mannelijke dwarslaesiepatiënten werd opwinding bereikt door de penis te stimuleren, en bij 41% was het scrotum gevoelig voor prikkeling, ondanks dat de meesten van hen een complete dwarslaesie hadden. Het meest genoemd werden echter mond en lippen, nek en schouders en de oren. De mogelijkheid opgewonden te raken door lichamelijke aanraking bleek niet afhankelijk te zijn van de hoogte van de laesie, noch van de tijd die verstreken was.
De beperkingen in het vermogen een erectie te krijgen en te ejaculeren (mannen) of vochtig te worden en de lichamelijke sensatie van een orgasme te ervaren (vrouwen) na een dwarslaesie zijn afhankelijk van de plaats en de ernst ervan. In het ruggenmerg liggen twee voor het seksuele functioneren belangrijke zenuwcentra. Het eerste (ter hoogte van de wervels T11 - L2) zorgt voor de erectie en de eerste fase van de ejaculatie bij de man en de lubricatie bij de vrouw, het tweede centrum (ter hoogte van de wervels S2 –S4) is betrokken bij het tweede deel van de ejaculatie bij de man en het clitoraal orgasme bij de vrouw. Bij een dwarslaesie boven het eerste centrum zijn erecties en lubricatie door psychogene stimuli (fantasie) niet mogelijk, wel kan er door genitale stimulering (die niet gevoeld wordt) een zogenaamde reflexmatige erectie of lubricatie tot stand gebracht worden. Ligt de laesie tussen het eerste en het tweede sekscentrum dan kunnen zowel door psychogene als door genitale stimulering erectie en lubricatie tot stand komen. Bij een complete lage dwarslaesie is geen reflexmatige erectie of lubricatie mogelijk, soms wel psychogeen. Bij een incomplete lage dwarslaesie zijn beide vormen mogelijk. Een deel van de patiënten met een complete dwarslaesie is in staat (een deel van) het orgasme te beleven. Hierbij speelt mogelijk de tiende hersenzenuw (nervus vagus), die buiten het ruggenmerg loopt, een rol (Weijmar Schultz et al. 2004).
Door nauwkeurig neurologisch onderzoek kan vrij goed voorspeld worden welke mogelijkheden er biologisch gesproken nog zijn. Uit onderzoek van Tay, Juma, en Joseph (1996) onder twintig mannen met een complete dwarslaesie en tien mannen met een incomplete dwarslaesie blijkt, dat van de mannen met een complete hoge dwarslaesie 70-93% in staat is een reflexmatige erectie te krijgen. Bij een incomplete hoge dwarslaesie is dit bij 80% het geval, terwijl 19% ook door psychogene stimulatie een erectie kan krijgen. Mannen met een complete lage dwarslaesie krijgen geen reflexmatige erectie, en 26% kan een psychogene erectie krijgen. Een groot deel van de mannen met een incomplete lage dwarslaesie kan nog wel de een of andere vorm van erectie krijgen (67 - 95%, Sipski, 1997). Bij vermoedelijk 10% van de mannen met een dwarslaesie die geen erectie kunnen krijgen is de oorzaak psychisch (Tay, Juma & Joseph, 1996).
Problemen met de ejaculatie komen vrij vaak voor na een dwarslaesie. Vaak is er sprake van retrograde ejaculatie, waarbij het zaad niet naar buiten getransporteerd wordt, maar in de blaas terecht komt. Indien er sprake is van een ejaculatie, is het volume vaak minder en de zaadcellen van slechte kwaliteit. Uit al weer gedateerde zelfbeoordelingsstudies van Bors en Comarr (1960, geciteerd in Sipsky, 1997) bleek dat 4% van de mannen met een complete hoge dwarslaesie ejaculeerde, en 32% van de mannen met een incomplete hoge dwarslaesie. Van de mannen met een complete lage dwarslaesie ejaculeerde 18%, terwijl van de mannen met een incomplete lage dwarslaesie 70% kon ejaculeren. Mannen die in staat waren een psychogene erectie te krijgen konden vaker ejaculeren dan de overigen. Over het algemeen is het volume en de kwaliteit van het sperma echter achteruitgegaan, en 90 - 95% van de mannen met een dwarslaesie is onvruchtbaar. Het vermogen een orgasme te beleven is echter in veel gevallen afwezig. In de literatuur wordt gemeld dat 38 - 47% van de mannen na een dwarslaesie een orgasme kunnen ervaren (Sipski, 1997).
Over de invloed die een dwarslaesie op de seksualiteit van vrouwen heeft is veel minder bekend. Dit kan te maken hebben met het feit dat het in vergelijking met de groep mannelijke patiënten met een dwarslaesie om een relatief kleine groep patiënten gaat en onderzoek naar vrouwelijke seksualiteit in het algemeen minder ontwikkeld is. Relatief veel onderzoek is gedaan naar zwangerschappen na een dwarslaesie, en de invloed die een dwarslaesie bij de vrouw heeft op de partnerrelatie. Uit deze onderzoeken werd duidelijk dat vrouwen na een dwarslaesie over het algemeen onverminderd vruchtbaar waren, maar dat driekwart van de vrouwen met een dwarslaesie hier onvoldoende rekening mee houdt en onbeschermd geslachtsgemeenschap heeft. De gevolgen van de dwarslaesie voor de partnerrelatie in het algemeen lijken mee te vallen, en in veel gevallen wordt de relatie na het trauma stabieler en gelukkiger. Het aantal scheidingen is na een trauma niet groter dan in de rest van de bevolking (Kettl et al. 1991). Hoewel voor vrouwen de beperkingen op het gebied van de seksualiteit minder ingrijpend zijn dan voor mannen (problemen met de lubricatie zijn door glijmiddelen te verhelpen, ca. 50% van alle vrouwen met een dwarslaesie is in staat een orgasme te krijgen) is ook bij hen de seksuele satisfactie veelal afgenomen en zijn zij minder frequent seksueel actief. Dit geldt het meest voor vrouwen met een complete tetraplegie. Kettl et al. onderzochten 27 vrouwen met een dwarslaesie, waarvan bij 17 precies bekend was om welke vorm van letsel het ging. De frequentie van de seksuele activiteiten nam met 19% af na de dwarslaesie. De vrouwen waren minder tevreden met de frequentie dan voorheen, vonden seksualiteit in het algemeen minder belangrijk en minder bevredigend. Het seksuele gedrag veranderde niet opzienbarend: wat men voor de dwarslaesie gewend was te doen, deed men ook daarna. Volledige geslachtsgemeenschap bleef de meest gewaardeerde vorm van seksuele activiteit, maar waar dit bij 50% van de vrouwen voor het trauma het geval was, gold dit nadien nog voor 40%. Opvallend veel vrouwen gingen meer waarde hechten aan kussen en knuffelen. Ruim de helft van de vrouwen gaf aan na de dwarslaesie nog een orgasme te kunnen beleven, een cijfer dat ook in ander onderzoek vaker wordt gevonden (Sipski, Alexander & Rosen, 1995, Charlifue, Gerhart & Menter, 1992). Problemen met incontinentie belemmeren een plezierige beleving van het vrijen nogal eens. De opmerkelijkste conclusie uit dit onderzoek was echter, dat de waardering voor het eigen lichaam drastisch was gedaald na de dwarslaesie, en dat vrouwen hun eigen aantrekkelijkheid veel negatiever inschatten. De auteurs concluderen dat de afname van de seksuele satisfactie voor vrouwen vooral hiermee samen zou kunnen hangen. Sipski, Alexander en Rosen (1995) hebben in laboratoriumonderzoek aangetoond dat het vermogen een orgasme te beleven bij vrouwen niet samenhangt met de ernst van het ruggenmergletsel, noch met de hoogte van de dwarslaesie. Van alle 25 vrouwen die meededen, bereikte 52% een orgasme door genitale stimulatie, vaak met behulp van een vibrator, in combinatie met het kijken naar een erotische videofilm. Bij vrouwen met een complete dwarslaesie duurde het echter gemiddeld een half uur voordat een orgasme bereikt werd, significant langer dan bij vrouwen met een incomplete dwarslaesie. Over het algemeen was de beleving van het orgasme niet anders dan voor de dwarslaesie. Metingen van hartritme, bloeddruk en ademhaling toonden aan dat het autonome zenuwstelsel betrokken was bij het orgasme. De stijging van de bloeddruk tijdens het orgasme was hoger dan bij een gezonde controlegroep, maar van een potentieel gevaarlijke autonome dysreflexie (op hol slaan van bloeddruk en hartslag) was geen sprake.
Hoewel er bij een dwarslaesie nog allerlei mogelijkheden zijn om de seksualiteit te blijven beleven, is het seksuele leven voor velen minder bevredigend dan voorheen. Veel is bekend over de lichamelijke processen die dit belemmeren, veel minder aandacht is er voor de psychologische barrières en de rol van de sociale omgeving.
Breng mij naar boven
Hartaandoening
Hoewel coronaire hartziekten (gevolgen van vernauwingen in de kransslagaders) in Nederland nog steeds de belangrijkste doodsoorzaak zijn, is het aantal mensen dat hieraan jaarlijks overlijdt in de afgelopen twintig jaar spectaculair gedaald. Dit neemt niet weg dat een acuut hartinfarct nog steeds een levensbedreigende en vaak traumatische ervaring is. In 2000 werden 25 900 mensen opgenomen met een acuut hartinfarct. Van de opgenomen mannen overleed 9,5%, van de vrouwen 15,9%.
Dankzij een betere preventie (gezondere leefwijze, minder vet, minder roken, meer bewegen) en een betere behandeling is zowel het aantal coronaire hartziekten als ook de ernst ervan afgenomen. Bovendien is het beloop na een infarct verbeterd door een betere behandeling (RIVM, 2003).
Na een periode van behandeling en revalidatie kunnen veel patiënten een groot deel van hun activiteiten weer hervatten. Op het gebied van het seksueel functioneren blijven er echter voor vermoedelijk een grote groep aanzienlijke problemen bestaan. Nederlands onderzoek naar seksueel functioneren na een hartinfarct ontbreekt helaas, en internationale onderzoeken zijn veelal gedateerd, en betreffen haast uitsluitend mannen.
In de literatuur (voor een overzicht zie Stitik & Benevento, 1997) wordt gemeld dat 34 –75% van de patiënten na een hartinfarct beperkingen ervaart op het gebied van het seksueel functioneren. Een grote groep van 43 - 44% van de mannen vrijt minder frequent, bij 27 - 55% is er geen verandering, en 0 - 27% staakt alle seksuele activiteit. Gemiddeld duurt het acht tot veertien weken voordat mannen weer seksueel actief worden na een hartinfarct. Bij tweederde van de patiënten was er vóór het hartinfarct ook al sprake van een verminderd seksueel functioneren en dit geldt zowel voor mannen als voor vrouwen. Onduidelijk is of er een gemeenschappelijke oorzaak is, zoals vaatlijden, of dat het verminderd seksueel functioneren emotionele stress opgeroepen heeft die bijgedragen heeft aan het ontstaan van een hartinfarct.
Dat men minder seksueel actief is heeft bij mannen verschillende oorzaken. De voornaamste oorzaken zijn een verminderd verlangen (19 - 39%) en erectiestoornissen (39%). Relatief vaak is het ook de partner die niet wil (25%) en zijn lichamelijke klachten als pijn op de borst en vermoeidheid een reden om minder vaak te vrijen (28%). Voor 16 - 18% van de mannen is angst voor een hartinfarct tijdens het vrijen een remmende factor, en 14 - 21% noemt depressiviteit als reden. Na een hartinfarct wordt 10 - 15% van de mannen ímpotent, waarbij onduidelijk is hoe ernstig de erectiestoornis is. Erectiestoornissen na een hartinfarct kunnen zowel psychologische als lichamelijke oorzaken hebben. Greenstein, Miller, Matzkin, Villa en Braf (1997) toonden aan dat de ernst van de erectiestoornissen na een hartinfarct samenhangt met het aantal verstopte coronaire vaten. Rosal, Downing, Littman en Ahern (1993) onderzochten bij 63 mannen die een hartinfarct hadden gehad de effecten van drie factoren op het seksueel functioneren na het infarct, namelijk het gebruik van betablokkers, psychologische aanpassingsproblemen en voorlichting over het seksueel functioneren na een hartinfarct. De gemiddelde leeftijd van de mannen was 55 jaar. Ook hun partners werden onderzocht, hun gemiddelde leeftijd was 51 jaar. In alle correlationele analyses en regressieanalyses werd gecontroleerd voor leeftijd. Tweederde van alle patiënten gaf aan dat hun seksueel functioneren negatief was beïnvloed door het infarct, bij 45% ging het om milde problematiek. Het gebruik van bètablokkers bleek niet bij te dragen aan de verklaring van seksuele problemen. De psychische toestand van de patiënt en vooral de combinatie van de psychische toestand van patiënt en partner bleken ruim een kwart van de variantie in het seksueel functioneren te verklaren. Het niveau van het psychisch functioneren, zoals door de gebruikte zelfevaluatie werd vastgesteld, lag echter binnen de normwaarden. De voorlichting die patiënten en partners over het seksueel functioneren hadden gekregen bleek niet significant bij te dragen aan de verklaring van verschillen in seksueel functioneren. Het bleek niet uit te maken of patiënten aangemoedigd dan wel gewaarschuwd waren ten aanzien van het hervatten van hun seksueel leven.
Deze uitkomsten laten volgens de auteurs zien, dat hartpatiënten emotionele problemen onderschatten en onderrapporteren, terwijl deze een grote impact kunnen hebben op de kwaliteit van hun leven en op hun seksueel functioneren. Stitik en Benevento vermelden dat 10% van de patiënten na een hartinfarct een chronische depressie ontwikkelt, en 10 - 20% chronisch angstig is. De angst van veel hartpatiënten dat zij door de inspanning tijdens het vrijen een hartinfarct zullen krijgen is over het algemeen onterecht. Hoewel tijdens seksuele activiteit de hartslag, de bloeddruk en de ademhaling sterk kunnen stijgen is dit na voldoende herstel zelden riskant. Onderzoek naar de belasting die seksuele activiteit van mensen vergt, toont aan dat wie twee trappen zonder problemen op en af kan lopen, of 4 –6 minuten in een behoorlijk tempo op vlak terrein kan wandelen, zonder veel risico kan vrijen. Belastingproeven kunnen hierover zekerheid verschaffen. Van invloed op de inspanning die seks vergt is de positie: vrijen in de positie die men gewend is, vraagt minder inspanning dan vrijen in een nieuwe positie. Pijn op de borst komt tijdens seksuele inspanning nogal eens voor, maar eerder in de resolutiefase dan gedurende het orgasme, wanneer de lichamelijke inspanning het grootst is.
Breng mij naar boven
Chronische longziekte
Bijna een half miljoen Nederlanders lijden aan een chronische longziekte zoals astma, chronische bronchitis of emfyseem. De laatste twee worden ook wel onder de noemer COPD samengevat. Vooral onder vrouwen neemt het aantal personen met COPD toe, wat vooral te wijten is aan een toename van het roken bij vrouwen (RIVM, 2003).
Onderzoek naar de effecten van chronische longaandoeningen als COPD op het seksueel functioneren ontbreekt nagenoeg. Uit een literatuuroverzicht van Stitik en Benevento (1997) blijkt dat het seksueel functioneren vooral belemmerd wordt doordat tijdens het vrijen ademnood optreedt wanneer de frequentie van de ademhaling toeneemt. Hoestbuien tijdens het vrijen kunnen belemmerend werken op het vermogen een erectie in stand te houden. Het goed uitademen wordt moeilijker, waardoor hyperventilatie kan ontstaan. Psychologische factoren, zoals schaamte voor een piepende ademhaling, hoestbuien en hierdoor veroorzaakte erectieproblemen, maar ook depressiviteit verminderen het seksueel functioneren.
Vaak is er ook sprake van een negatief zelfbeeld wanneer als gevolg van de lichamelijke klachten de traditionele genderrollen herzien moeten worden. Bij vrouwen speelt een veranderd lichaamsbeeld, bijvoorbeeld door een ingezakte borstkas, een rol. Aangezien veel COPD- patiënten eveneens aan hoge bloeddruk lijden en hiervoor medicijnen gebruiken, kunnen ook de bijwerkingen hiervan tot verminderd seksueel verlangen leiden. Antidepressiva hebben eenzelfde effect. Mannen met COPD hebben bovendien een significant lagere testosteron- spiegel, wat eveneens het seksueel verlangen doet verminderen.
Breng mij naar boven
Multiple sclerose
Multiple sclerose is een auto-immuunziekte, waarbij de myelineschede rondom zenuwweefsel wordt afgebroken. De prikkelgeleiding in de betrokken zenuw wordt hierdoor verstoord, en er treden, afhankelijk van de plaats van de aantastingen, neurologische uitvalsverschijnselen op zoals gevoelloosheid, evenwichtsproblemen, visusstoornissen, spierzwakte en cognitieve problemen. De ziekte openbaart zich meestal in de meest actieve fase van het leven (20 - 40 jaar) en komt vaker bij vrouwen dan bij mannen voor. In Nederland leden in 1994 ca. 3900 mannen en 8500 vrouwen aan MS, en het aantal nieuwe gevallen per jaar bedroeg 570. Onder vrouwen neemt de ziekte sterker toe dan onder mannen (RIVM, 2003).
Uit een korte inventariserende enquête onder 51 Nederlandse MS-patiënten bleek, dat 81% van de mannen en 60% van de vrouwen problemen ervaren op het gebied van hun seksueel functioneren en dat deze problemen hen sterk bezig houden (Vrugging, Kornips, Van Kerrebroeck & Meuleman, 1995). In de internationale literatuur worden vergelijkbare cijfers gevonden. Bij meer dan 70% van de vrouwen en zelfs tot 90% van de mannen met MS is het seksuele leven veranderd door de ziekte (Smeltzer & Kelley, 1997). In een onderzoek van Dupont (1996) onder 72 vrouwelijke en 44 mannelijk MS-patiënten bleek, dat voor 66% van de vrouwen en 74% van de mannen de vermindering in frequentie een probleem is.
De belangrijkste oorzaken voor een minder bevredigend of volledig gestaakt seksueel leven is bij vrouwen het verlies van het vermogen een orgasme te beleven en een verminderd seksueel verlangen (Lundberg & Hulter, 1996). In het onderzoek van Dupont onder mensen met MS en matige klachten vermeed meer dan 50% van de vrouwen seksuele contacten, een derde had problemen met de lubricatie en 12% kreeg geen orgasme, terwijl dit voor het begin van de ziekte bij 6% het geval was. Vermoeidheid was bij 15% een probleem dat seks altijd belemmerde, 3% had altijd last van pijn, 7% had altijd last van gevoelloosheid en 19% had altijd last van spierzwakte tijdens seksuele activiteit. Problemen met incontinentie speelden bij 3% van de vrouwen altijd een rol tijdens seksuele activiteit. Ondanks deze problemen was slechts 11% van de vrouwen ontevreden over hun seksuele leven. Hulter (1999) onderzocht 47 vrouwen met MS in een gevorderd stadium.Van deze vrouwen had 83% last van een of ander seksueel disfunctioneren. Van een verminderd seksueel verlangen was bij 60% sprake en 36% had problemen met het vochtig worden. Het beleven van een orgasme was bij 38% moeilijker geworden, en 13% had nooit een orgasme. Bij drie vrouwen was het vermogen tot een orgasme te komen verbeterd. Gevoelloosheid in de geslachtsdelen kwam bij 62% van de vrouwen voor en 77% had last van spierzwakte in de bekkenbodemspieren. Bijna 9 van de 10 vrouwen had last van incontinentie en 66% had problemen met defaecatie.
Vrouwen bij wie de ziekte geleid had tot gebruik van een rolstoel, hadden meer last van seksuele disfuncties dan vrouwen met minder ernstige symptomen. Opwindings- en orgasmestoornissen hingen samen met zwakte van de bekkenbodemspieren en met incontinentieproblemen. De kwaliteit van het orgasme hing samen met gevoelloosheid van de romp en de geslachtsorganen. Alle aspecten van het seksueel functioneren hingen samen met duizeligheid. Over het algemeen was echter 82 - 84% van de vrouwen tevreden met hun seksuele ervaringen. Minder tevreden waren zij met hun lichamelijke aantrekkelijkheid (50 - 60%). Opvallend genoeg waren vrouwen waarbij de ziekte minder ver gevorderd was, minder tevreden en rapporteerden zij meer opwindings- en orgasmestoornissen dan vrouwen met ernstigere symptomen. Mogelijk leidt een grotere ziekteacceptatie en het verminderen van kansen op seksuele ervaringen tot een positievere waardering van het seksueel functioneren. Anderzijds gaat voortschrijdende MS vaak gepaard met euforie bij patiënten, waardoor men optimistisch en opgewekt blijft, ondanks de verslechterende situatie (Lundberg & Hulter, 1996).
Bij mannen met MS is er vaker sprake van seksuele dissatisfactie dan bij vrouwelijke patiënten (28% vs. 11%; Dupont, 1996) Mannen met MS hebben in veel gevallen (tot 70%) last van erectieproblemen. In het onderzoek van Dupont (1996) heeft een op de drie mannen met MS helemaal geen erectie meer en heeft meer dan de helft ernstige erectieproblemen. In een literatuurstudie naar de lichamelijke oorzaken van erectiestoornissen bij mannen met MS stelt Betts (1996) vast, dat hoe recenter de studies zijn, hoe hoger het aantal mannen met erectiestoornissen is, en concludeert hieruit, dat dit probleem lange tijd onderschat is. Gemiddeld treden erectiestoornissen negen jaar na de eerste neurologische symptomen op, meestal enkele jaren nadat de eerste blaas- of ontlastingsproblemen zich aandienen. Ook bij mannen is er een sterke correlatie tussen incontinentieproblemen en seksuele disfuncties (erectieproblemen). Bovendien hebben mannen met erectieproblemen steevast uitvalsverschijnselen in hun benen. Betts concludeert op basis van de beschikbare onderzoeksliteratuur dat zowel de erectieproblemen als de incontinentie en de uitvalsverschijnselen in de benen eenzelfde neurologische oorzaak hebben, namelijk beschadiging van het ruggenmerg boven het heiligbeen. Behalve erectiestoornissen komen problemen met de zaadlozing veel voor (10%, Dupont, 1996; 37 - 44%, Betts, 1996). Problemen in de afferente prikkelgeleiding van de penis zouden het bereiken van de orgastische drempel in het betrokken centrum in het ruggenmerg kunnen belemmeren. Bovendien zouden beschadigingen in het ruggenmerg de waarneming van erotische prikkels in de hersenen en de daaropvolgende aansturing van het betrokken ruggenmergcentrum kunnen belemmeren. Hoewel 50% van de MS-patiënten een depressie ontwikkelt, en dit eveneens tot erectieproblemen kan leiden, gaat Betts (1996) ervan uit dat lichamelijke oorzaken een belangrijkere rol spelen. Uitkomsten uit kleinschalige Nederlandse studies laat zien dat erectiestoornissen met name samenhangen met psychologische factoren, verminderde gevoeligheid en beperkingen in het bewegingsapparaat (Lottman, Jongen, Rosier & Meuleman, 1998), en dat seksuele problemen bij vrouwen met MS vooral samenhangen met psychologische en relationele factoren.
Verschillende auteurs wijzen er overigens op dat seksuele disfuncties bij een klein percentage MS-patiënten van voorbijgaande aard kunnen zijn (Lundberg & Hulter, 1996; Vermote & Peuskens, 1996, Betts, 1996).
Breng mij naar boven
Reuma
Reuma is een verzamelnaam voor verschillende ziekten waarbij chronische ontstekingen van gewrichten, kraakbeen en spierweefsel voor kunnen komen. De meest voorkomende vorm van reuma is reumatoïde artritis (RA). Deze ziekte openbaart zich meestal op latere leeftijd en komt vaker bij vrouwen dan bij mannen voor. In 2000 leden in Nederland naar schatting 43.400 mannen en 114.700 vrouwen hieraan. Jaarlijks wordt bij ca. 7.400 mannen en 14.900 vrouwen voor het eerst RA vastgesteld (RIVM, 2003)
De meest typerende gezondheidsklachten bij RA zijn pijnlijke, gezwollen gewrichten, die op de lange duur vervormd kunnen raken, boterosie, vermoeidheid, spierzwakte, en gewichtsverlies. Het seksueel functioneren wordt bij veel RA-patiënten negatief beïnvloed door de ziekte. Kraaimaat, Bakker, Janssen en Bijlsma (1996) vonden in onderzoek onder 102 mannelijke en 118 vrouwelijke reumapatiënten, dat bij 30% van de mannen en 36% van de vrouwen de ziekte veel invloed heeft op het seksueel functioneren. Een verminderde mobiliteit, problemen met de zelfzorg, pijn en depressie waren de factoren die de meeste invloed uitoefenden. Nadler (1997) haalt een kleinschalig onderzoek aan (Badhauria et al. 1995, N= 23) waarin vermoeidheid en pijn het seksuele leven negatief beïnvloeden (bij respectievelijk 61% en 56% van de vrouwen). In de studie van Hill, Bird en Thorpe (2003) vindt 56% van de 57 bevraagde RA-patiënten dat het vrijen negatief is beïnvloed door hun ziekte, en ook hier worden vermoeidheid en pijn als belangrijkste oorzaken genoemd.
Van Berlo et al. (1999) melden in hun overzichtsstudie dat 31% - 76% van de RA-patiënten seksuele problemen ervaart. Nadler (1997) haalt een kleinschalig onderzoek (N=31) onder mannen met RA aan, waarin 33% van de mannen op enig moment gedurende de ziekte problemen met de erectie had, en 50% last had van een verminderd seksueel verlangen. Uitkomsten uit een omvangrijkere studie onder vrouwen (N=91) liet zien dat meer dan 50% van de vrouwen een verminderd seksueel verlangen had sinds de ziekte zich geopenbaard had. Hoewel 60% van de vrouwen ontevreden was met hun seksueel functioneren, gaf 74% aan dat dit geen negatieve invloed had op de relatie met de partner.
In een grootschalig onderzoek (N=271) onder Nederlandse RA patiënten en een gezonde controlegroep, die op leeftijd gematched was, werd een gestandaardiseerde vragenlijst voor het meten van seksuele disfuncties gebruikt (Van Berlo, Van de Wiel, Taal, Rasker, Weijmar Schultz & Van Rijswijk, in voorbereiding). RA-patiënten waren minder vaak gemotiveerd tot seksueel contact, hadden minder vaak seksueel contact, masturbeerden minder vaak en hadden minder vaak seksuele fantasieën dan de gezonde controlegroep. RA-patiënten (zowel mannen als vrouwen) bleken echter over het algemeen niet significant meer seksuele disfuncties (van een disfunctie is sprake wanneer de persoon dit zelf als een probleem ervaart) te hebben dan gezonde mensen, hoewel bij mannen iets vaker sprake was van erectiestoornissen (13% RA-patiënten, 6% controlegroep). Zowel mannen als vrouwen hadden vaker last van pijn elders in het lichaam dan de controlegroep, wat gezien de problematiek niet zal verbazen, maar beide groepen verschillen niet voor wat betreft seksuele satisfactie. De onderzoekers vermoeden dat mensen met RA de negatieve impact van de ziekte op hun seksueel functioneren vaker compenseren met een psychologische aanpassing: andere aspecten van de relatie kunnen verbeteren of hoger gewaardeerd worden, zoals een betere onderlinge communicatie, meer onderling begrip en het verleggen van prioriteiten. Hoewel reuma vaker oudere mensen treft, zijn er ook vormen van acute reuma (jeugdreuma) die op jongere leeftijd toeslaan. Bij jongere reumapatiënten kunnen andere seksuele problemen ontstaan. Bij jonge vrouwen blijken vragen rondom vruchtbaarheid en zwangerschap een rol te spelen, aangezien zij een grotere kans op miskramen en gynaecologische klachten hebben dan gezonde vrouwen. Jonge mannen met jeugdreuma hebben meer problemen met het vinden van een geschikte partner dan vrouwen met jeugdreuma en gezonde mannen (Ostensen, Almberg & Koksvik, 2000)
Breng mij naar bovenAmputatie
Het verlies van een lichaamsdeel kan een aangeboren conditie zijn of het gevolg zijn van een amputatie. Amputatie van een been of beide benen komt vaker voor dan amputatie van een arm. In driekwart van de beenamputaties is de oorzaak hiervoor schade aan de bloedvaten door een vaatziekte of door diabetes. Letsel en kanker zijn verantwoordelijk voor de resterende kwart amputaties. Bij een amputatie van een arm is letsel de hoofdoorzaak (driekwart van de amputaties), de overige zijn het gevolg van kanker en andere ziekten. Bij geamputeerden gaat het in overgrote meerderheid (85%) om oudere mensen (Tilton, 1997). Het verlies van een lichaamsdeel kan een zeer ingrijpende gebeurtenis zijn, en veel geamputeerden maken hierna een psychologisch verwerkingsproces door, dat de kenmerken van een rouwproces heeft. Niet zelden (bij 28% van de geamputeerden) zijn chronische depressieve klachten het gevolg. Ook het seksueel functioneren kan hierdoor beïnvloed worden. Pijn als gevolg van een moeilijk verlopend genezingsproces, of fantoompijn, beperkingen in de bewegingsmogelijkheden, maar ook bijwerkingen van medicijnen die bijvoorbeeld in geval van kanker, diabetes of vaatlijden genomen moeten worden, kunnen het seksueel functioneren belemmeren. In een onderzoek onder 76 geamputeerde mannen en vrouwen bleek dat 75% van hen minder seksueel actief was dan voor de amputatie en 10% had alle seksuele activiteit opgegeven.
Geamputeerden zonder vaste partner waren minder seksueel actief en depressiever dan respondenten met een partner. De depressieve klachten van de geamputeerden werden in deze steekproef het sterkst voorspeld door de negatieve invloed van de amputatie op de seksualiteit. De mate waarin de amputatie in de beleving van de respondenten het seksueel functioneren belemmerde bleek samen te hangen met een oudere leeftijd en een lagere opleiding. Hoe korter de amputatie geleden was en hoe meer pijn men had tijdens het hebben van seks, hoe meer problemen er werden ervaren. Het seksueel functioneren werd eveneens sterker belemmerd, naarmate de respondent zich door zijn amputatie ongemakkelijker voelde in intieme situaties.
Toch bleef 60% van de geamputeerden matig tot zeer seksueel actief. Hoewel 30% van de respondenten ontevreden was over de frequentie van het vrijen, was slechts 20% ontevreden over de kwaliteit van het vrijen. Helaas worden in dit onderzoek de uitkomsten niet voor mannen en vrouwen gescheiden gepresenteerd. Specifieker onderzoek naar de aard van de seksuele problemen ontbreekt.
Breng mij naar bovenSpierziekten
Onder de verzamelnaam spierziekten worden allerlei soorten neuromusculaire aandoeningen verstaan, waarvan er ongeveer 600 verschillende zijn. Hoeveel mensen in Nederland aan een progressieve spierziekte lijden is niet exact bekend, de patiëntenvereniging voor mensen met een spierziekte telt ca. 9000 leden met ongeveer 60 verschillende aandoeningen. Bij een neuromusculaire aandoening gaat het meestal om een erfelijke, aangeboren ziekte (bijv. ziekte van Duchenne) maar sommige spierziekten kunnen zich op latere leeftijd spontaan openbaren (bijvoorbeeld ALS). Overeenkomstig bij alle aandoeningen is, dat als gevolg van een aantasting van zenuwen en spieren spierzwakte en beperkingen in de bewegingsmogelijkheden ontstaan, die progressief verlopen. Atrofieën en contracturen kunnen tot ernstige handicaps leiden. In veel gevallen leiden spierziekten ertoe dat men voor allerlei dagelijkse activiteiten volkomen afhankelijk wordt en op een rolstoel is aangewezen. Wanneer ook ademhalingsspieren zijn aangetast, is het gebruik van een beademingsapparaat noodzakelijk. Naar de aard van de seksuele problemen van mensen met een spierziekte is nauwelijks onderzoek gedaan. Uit interviews met 40 spierziektenpatiënten werd evenwel duidelijk dat patiënten bij wie de ziekte op jonge leeftijd was begonnen en een snelle progressie kende meer last hadden van beperkingen in hun seksuele functioneren dan mensen bij wie de ziekte zich op latere leeftijd openbaarde (Anderson & Bardach, 1983). Patiënten bij wie de ziekte op jonge leeftijd was begonnen, hadden niet zozeer last van seksuele beperkingen door lichamelijke oorzaken, maar wel van het gegeven dat zij nauwelijks seksuele ervaringen hadden opgedaan voordat de ziekte tot ernstige lichamelijke beperkingen leidde. Deze groep was vooral ontevreden over het gebrek aan mogelijkheden hiertoe in hun socialisatie. De groep patiënten bij wie de ziekte op latere leeftijd begon of pas na hun dertigste ernstige lichamelijke beperkingen met zich meebracht, had voor wat betreft hun seksueel functioneren meer last van de emotionele problemen die de voortschrijdende ziekte met zich meebracht dan van de lichamelijke beperkingen. Verlies van eigenwaarde, depressie en angsten hingen samen met veranderingen in seksueel functioneren. De aanpassing aan het verlies van fysieke aantrekkelijkheid en de veranderingen in seksuele mogelijkheden door de ziekteverschijnselen werd als stressvol ervaren.
Voor mannen bleken bovendien de aanpassingsmogelijkheden van de vrouwelijke partner van belang: wanneer deze bijvoorbeeld niet bereid was een meer actieve houding (letterlijk: man onder, vrouw boven) tijdens de geslachtsgemeenschap aan te nemen, kon seksuele activiteit leiden tot gevoelens van angst en faalangst bij mannen. Voor vrouwen speelden vooral twijfels rondom hun aantrekkelijkheid en hun mogelijkheden de traditionele zorgtaken te vervullen een rol.
Breng mij naar boven
Pijn
Pijn speelt een rol als bijkomend probleem in veel aandoeningen zoals reuma en andere aandoeningen die het bewegingsapparaat betreffen. Chronische lage rugpijn is een veel voorkomende klacht. Fibromyalgie is een andere aandoening die met veel pijnklachten in verschillende delen van het lichaam gepaard gaat, en komt voornamelijk bij vrouwen voor. Van chronische pijnklachten spreekt men wanneer de klachten langer duren dan normaal gesproken verwacht zou mogen worden, in sommige definities worden termijnen aangehouden van drie of zes maanden.
Chronische pijnklachten kunnen het dagelijks functioneren van mensen ernstig belemmeren en kunnen een druk leggen op een partnerrelatie en dus ook op de seksuele relatie, al kan een open communicatie tussen partners veel leed voorkomen (Schlesinger, 1996).
Onderzoek naar de specifieke seksuele problemen van mensen met chronische pijnklachten ontbreekt echter nagenoeg. Een van de weinige studies naar de invloed van chronische pijnbeleving op het seksueel functioneren dateert uit 1978. Maruta en Osborne onderzochten de invloed van chronische pijn op het seksueel functioneren bij 41 vrouwen en 25 mannen die in een pijnkliniek werden behandeld. De grote meerderheid (85%) had last van pijn in rug of ledematen, 8% in de buik, 3% in de borstkas en 3% in gezicht of hoofd. Op een schaal die persoonlijkheidstrekken meet (MMPI) scoorde deze groep bovengemiddeld op hysterie, depressie en hypochondrie. Bij 44% van de mannen en 32% van de vrouwen was de partnerrelatie verslechterd sinds het begin van de pijnklachten, bij 4% respectievelijk 5% verbeterd, en bij de overigen onveranderd gebleven. 60% van de mannen en 56% van de vrouwen gaven evenwel aan dat hun seksuele functioneren achteruit was gegaan sinds de pijnklachten waren ontstaan. Bij 68% van de mannen en 51% van de vrouwen was de frequentie van het vrijen afgenomen, bij 20% respectievelijk 17% waren de seksuele activiteiten helemaal gestopt. De kwaliteit van het vrijen werd door iets meer dan de helft van de mannen en vrouwen als minder goed beoordeeld.
Ruim de helft van de vrouwen (54%) had last van een seksuele disfunctie, terwijl slechts 20% deze ook voor het begin van de pijnklachten had. Van de mannen had 44% een seksuele disfunctie, terwijl geen van de mannen hier van te voren last van had. Bij vrouwen werden orgasmestoornissen het meest genoemd (44%), terwijl mannen het meest erectiestoornissen noemden (32%). De auteurs concluderen dat mannen eerder geneigd zijn minder te vrijen dan vrouwen met pijnklachten en wijten dit aan de meer actieve rol die mannen over het algemeen genomen hebben bij het vrijen.
Inzicht in een mogelijke andere samenhang tussen seksuele problemen en chronische pijnklachten biedt recent onderzoek naar (seksueel) geweldservaringen bij vrouwen met fibromyalgie, waaruit blijkt dat vrouwen met deze klachten significant vaker een geschiedenis van ernstig seksueel misbruik of fysiek geweld hebben dan vrouwen uit een controlegroep (met een reumatische aandoening ); (Boisset-Pioro, Esdaile & Fitzcharles, 1995; Walker et al. 1997). In het onderzoek van Boisset-Pioro, Esdaile & Fitzcharles et al. bleek, dat rond 60% van de vrouwen niet met anderen over de geweldservaringen hadden gesproken. De impact die geweldservaringen hebben op het seksueel functioneren is in deze studies niet onderzocht, maar uit onderzoek naar de gevolgen van (seksueel) geweld is inmiddels overduidelijk dat, naast depressies en (chronische) PTSS, een afkeer van seksualiteit, angst voor seks, een verstoord (negatief)lichaamsbeeld en flashbacks tijdens het vrijen het gevolg kunnen zijn (voor een overzicht over de literatuur zie: Höing, van Engen, Ensink, Vennix & Vanwesenbeeck 2003).
Breng mij naar boven